# #
Homepage > Thema's > Kinderen in gezinnen > Opvang (materiŽle hulp)

Opvang (materiŽle hulp)

Bij wet hebben mensen zonder wettig verblijf geen recht op maatschappelijke hulpverlening (artikel 57§2 van de OCMW-wet van 8 juli 1976), met uitzondering van dringende medische hulp (zie: “Gezondheid”) en materiële hulp aan gezinnen met minderjarige kinderen zonder wettig verblijf.

Het recht op materiële hulp aan gezinnen zonder wettig verblijf is het gevolg van een principearrest van het Grondwettelijk Hof van 22 juli 2003 (toen Arbitragehof). Dit oordeelde dat artikel 57§2 van de organieke wet betreffende het OCMW dat bepaalt dat iedereen die onwettig op het grondgebied verblijft uitgesloten wordt van elke maatschappelijke hulpverlening, inging tegen de internationale verplichtingen van België, in het bijzonder het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Het nieuw artikel 57§2 bepaalt sindsdien dat een minderjarige en zijn gezin die onwettig op het grondgebied verblijven, kunnen genieten van een maatschappelijke hulpverlening die beperkt is tot de materiële hulp die nodig is voor de ontwikkeling van het kind. Dit betekent opvang in een opvangcentrum. Dit arrest werd omgezet in het Koninklijk Besluit van 24 juni 2004 (gewijzigd door een KB van 1 juni 2006).

Volgens de wet

Wat houdt materiële hulp in?

Materiële hulp komt neer op opvang in een opvangcentrum. In vaktermen praat men vaak over "bed-bad-brood", maar het houdt heel wat meer in: 

  • een slaapplaats (een aparte kamer in geval van gezinnen)
  • maaltijden
  • sanitaire voorzieningen
  • kledij
  • zakgeld 
  • sociale begeleiding door een maatschappelijk werker
  • juridische begeleiding (door een advocaat, vaak via het bureau voor juridische rechtshulp)
  • sociale vertaal- en tolkdiensten
  • medische en psychosociale diensten (de meeste centra hebben een eigen medisch team of werken samen met een externe dokter; sommige centra hebben een eigen psycholoog, maar de arts van het centrum kan ook doorverwijzen naar een externe gespecialiseerde dienst)
  • mogelijkheid om een klacht in te dienen (i.v.m. levensomstandigheden in het centrum en aangeboden diensten)

Tijdens het verblijf in het centrum blijft het recht op onderwijs en de leerplicht gelden (zie: “Onderwijs”).

In de centra kunnen de bewoners gemeenschapsdiensten doen, zoals het poetsen van de gemeenschappelijke ruimtes, het uitdelen van eten, etc. Ze krijgen hiervoor een kleine vergoeding. 

Tweesporenbegeleiding

Het Koninklijk Besluit van 1 juli 2006, dat het KB van 24 juni 2004 wijzigt, legt vast dat: 

Binnen de drie maanden na hun aankomst in het door het Agentschap aangeduid federaal opvangcentrum, wordt er met de minderjarige en de persoon/personen die hem/haar begeleiden een sociaal begeleidingsproject opgesteld aangaande ofwel het onderzoek van de wettelijke procedures die een eind kunnen stellen aan hun illegale verblijf, ofwel de hulp bij vrijwillige terugkeer.

Dit betekent dat er in samenspraak met de gezinnen een begeleidingsplan moet opgesteld worden dat zowel op terugkeer als op verblijf gericht is. Dit wordt de “tweesporenbegeleiding” genoemd. Zie meer hierover bij “Begeleiding”.

Welke stappen moet een begeleide minderjarige of zijn ouders ondernemen?

De minderjarige of zijn ouders moet een hulpvraag (mondeling of schriftelijk) indienen in het OCMW van zijn gewoonlijke verblijfplaats. Het OCMW moet de hulpvraag registreren en onderzoeken of het gezin aan de voorwaarden voldoet via een sociaal onderzoek. Het OCMW heeft daarvoor 30 dagen de tijd.

Zoals vastgelegd in het Koninklijk Besluit van 24 juni 2004 zijn de vijf voorwaarden dat:

  1. het kind jonger is dan 18 jaar;
  2. het kind en zijn ouders illegaal op het grondgebied verblijven;
  3. de vereiste verwantschapsband bestaat;
  4. het kind behoeftig is;
  5. de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn hun onderhoudsplicht na te komen.

Wanneer de voorwaarden vervuld zijn, zal het OCMW de aanvrager binnen de 8 dagen verwittigen dat hij/zij materiële hulp kan bekomen via Fedasil (zie hieronder “Materiële hulp in de praktijk”). Ze maken de aanvraag over aan Fedasil dat een opvangplaats toewijst aan het gezin. Het gezin dient zich dan naar de toegewezen opvangplaats te begeven. 

Wanneer eindigt het recht op opvang?

Gebaseerd op de voorwaarden van het recht op materiële hulp, vastgelegd in het KB van 24 juni 2004, heeft men niet langer recht op materiële hulp wanneer:

  1. Het (jongste) kind meerderjarig is;
  2. Het kind en zijn ouders zich niet langer illegaal op het grondgebied bevinden, vb. door vertrek uit België of door het bekomen van een verblijfsrecht in België;
  3. Het kind niet langer behoeftig is;
  4. De ouders hun onderhoudsplicht kunnen nakomen.

Materiële hulp in de praktijk

Fedasil en de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) sloten verschillende akkoorden i.v.m. de toepassing de “materiële hulp”.

Aanvankelijk werden de gezinnen opgevangen en begeleid in een Fedasil opvangcentrum.

Open terugkeercentrum Holsbeek (maart 2013 - juni 2015)

In maart 2013 werd er een akkoord gesloten tussen Fedasil en DVZ om gezinnen niet langer op te vangen in een Fedasil opvangcentrum, maar in het open terugkeercentrum (OTC) van Holsbeek, beheerd door DVZ. In datzelfde akkoord werd de opvang van de gezinnen beperkt tot 30 dagen, overkomend met het bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) dat DVZ bij aankomst voor hen opmaakt. Zeer beperkte verlengingen zijn mogelijk in het kader van de voorbereiding van de terugkeer. Begeleiding wordt voornamelijk aangeboden in de voorbereiding van de (vrijwillige) terugkeer, hoewel de gezinnen ook een nieuwe verblijfsaanvraag kunnen indienen tijdens hun verblijf in het OTC.

Indien een gezin na 30 dagen niet ingetekend heeft op vrijwillige terugkeer, wordt het overgebracht naar een terugkeerwoning (zie: “Detentie”) met het oog op een gedwongen terugkeer. Indien er geen plaats is in de terugkeerwoningen, kan het gezin tijdelijk in een open terugkeerplaats opgevangen worden. 

(Voor meer informatie over het OTC van Holsbeek, en met name de functionering van het centrum, zie het bezoeksverslag van het Platform, na een bezoek aan het OTC in december 2013. Het centrum, nabij Leuven, kon tot 100 mensen opvangen voor een periode van 30 dagen.)

Beroep bij de Raad van State (april 2015)

Op 26 juli 2013 dienden vijf organisaties beroep in tegen het voorgenoemde samenwerkingsakkoord (zie hier een analyses van het Platform Kinderen op de vlucht omtrent dit akkoord). De organisaties vonden dat de beperking van het opvangrecht tot 30 dagen in strijd was met het juridisch kader rond materiële hulp aan gezinnen zonder wettig verblijf, aangezien dit nergens vastgelegd is en het akkoord regels toevoegt aan het juridisch kader en het verlopen van het BGV geen van de voorwaarden voor de materiële hulp opheft. In haar arrest van 23 april 2015 geeft de Raad van State gelijk aan de vijf organisaties en annuleert dit aspect van het akkoord (punt 5.2. “Duur van de opvang in het open terugkeercentrum”).

Sluiting van het OTC Holsbeek (juni 2015)

In juni 2015 wordt het OTC in Holsbeek plots gesloten. De gezinnen die er nog verblijven op dat moment, worden overgebracht naar terugkeerwoningen.

Terugkeerwoningen zijn “open” woonunits die in oktober 2008 werden opgericht om gezinnen met kinderen die een bevel tot vasthouding ontvingen op te vangen. In juni 2015, na de sluiting van het OTC in Holsbeek, worden gezinnen zonder wettig verblijf die “materiële hulp” verkregen op basis van het KB van 26 juni 2004 (en geen bevel tot vasthouding) overgebracht naar de terugkeerwoningen. Er zijn 4 sites met terugkeerwoningen: Bevekom, Sint-Gillis-Waas, Tubeke, en Tielt – Zulte. In principe worden de gezinnen die “materiële hulp” genieten enkel opgevangen in de site van Tielt – Zulte. In de praktijk worden gezinnen in alle sites gehuisvest.

En nu? ( De situatie in 2016)

Anno 2016 worden gezinnen die “materiële hulp” verkrijgen, overgebracht naar een terugkeerwoning of “open terugkeerplaats” (of “OTC-plaats”). Enkel indien er geen plaats is in een terugkeerwoning of indien er een specifieke nood werd erkend, worden gezinnen nog opgevangen in een Fedasil opvangcentrum. Begeleiding in de terugkeerwoningen wordt aangeboden door DVZ en Fedasil en is voornamelijk gericht op (vrijwillige) terugkeer.

Sinds het arrest van de Raad van State van april 2015, is de opvang in principe niet meer beperkt tot één maand. Het is echter onduidelijk hoe lang gezinnen vandaag opgevangen kunnen worden, welke begeleiding ze ontvangen, en wat er gebeurt als ze niet meewerken aan terugkeer.

Het Platform Kinderen op de vlucht meent dat het recht op materiële hulp, zoals voorzien werd in de wet, in de praktijk werd uitgehold. Resultaat is dat minder en minder gezinnen beroep doen op de mogelijkheid om materiële hulp aan te vragen. Gezinnen zonder wettig verblijf komen vaker in de daklozenopvang terecht, komen op straat terecht, en verdwijnen uit de statistieken.

Juridisch kader

Voor meer informatie

Huidige situatie van gezinnen zonder wettig verblijf

Terugkeerwoningen

Samenwerkingsakkoord van 29 maart 2013 tussen Fedasil en de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ)

Samenwerkingsakkoord 19 september 2010 ("Protocol 2010")